Bananen, gembers en canna's worden al snel geassocieerd met de vochtige tropen. Toch zijn er binnen deze plantengroepen een aantal bruikbare, koudebestendige soorten die in noordeuropeese tuinen bruikbaar zijn.
Musa basjoo, banaan voor buiten
We associëren bananen met warme, tropische oorden,
maar voor ons is het interessant om te weten dat er ook enkele botanische bananensoorten
voorkomen in de gematigde streken van Japan, China, Himalaya
en Tibet. De soorten uit deze koele streken zijn, met enige maatregelen
in de winter, in ons klimaat buiten in de volle grond te
kweken.
Musa basjoo
– Japanse Vezelbanaan
De Japanse Vezelbanaan is de meest betrouwbare soort en beste keus. Onder optimale omstandigheden kan het een enorme plant worden. Op de kwekerij
staan twee exemplaren welke in 1993 buiten zijn uitgeplant.
Deze planten zijn intussen uitgegroeid tot ware bosschages
waarbij elk jaar wel enkele stammen tot bloei komen en vervolgens
vruchten ontwikkelen. Ze slaan veel energie op in de tot
20 cm dikke rhizomen van waaruit afgesneden planten in het
voorjaar razendsnel teruggroeien tot grote hoogte. Bij temperaturen
van rond de 20 graden maakt deze soort 1 blad per week en
schuift de stam 10 tot 20 cm in hoogte op! Het grootste
exemplaar groeit jaarlijks tot 5 a 6 meter hoogte op. Voor
deze krachttoer is veel energie en water nodig die dan ook
in de vorm van periodieke bemesting en beregening toegediend
moet worden. Deze botanische bananensoort levert weliswaar
geen eetbare vruchten en schijnt vroeger in de landbouw
als vezelgewas geteeld te zijn voor de oogst van de vezels
in de bladstelen.
Een banaan is te beschouwen als een reusachtige vaste plant.
Musa basjoo heeft geen bovengrondse houtige delen. De schijnstammen
zijn niets anders dan een dicht op elkaar gepakte bundel
bladstelen. Elke schijnstam heeft een tijdklok en produceert
na een bepaald aantal bladeren (ca. 25 a 30) de bloeiwijze.
Na de bloei sterft de betreffende schijnstam af en wordt
de groei overgenomen door een aantal nieuwe nevenstaande
scheuten. De beste manier om deze plant in Nederland te
kweken is door de wortelstok (dus de hele plant) op voldoende
diepte aan te planten. Dat wil zeggen dat de rhizoom best
30 cm onder de grond mag zitten (maar altijd boven grondwaterpeil).
In de tropen worden bananen altijd diep aangeplant om omwaaien
te voorkomen. Een bijkomend voordeel in onze contreien is
dat de vorstbestendigheid verbeterd wordt; zelden dringt
strenge vorst zo diep in de grond. Tenslotte is diep planten
raadzaam omdat oude pollen zich omhoog drukken waardoor
ze na een jaar of 10 op een eigen terpje staan wat nadelig
is in de winter met grondvorst. De bloeiwijze is een show
op zich.
Met enig geluk begint de bloei in het voorjaar
en kan men tot de volgende winter van de doorgaande bloei
genieten. Vaak vormen zich kleine bananentrossen welke overigens
niet eetbaar zijn, want het is een botanische banaan (vergelijk
met wilde appel of peer). In onze tuin staan elk jaar wel
enkele planten in bloei.
Op de kwekerij zijn altijd meerdere maten van deze soort
verkrijgbaar: kleine potplanten, grote potplanten en volwassen
pollen met stammen van 1.5 - 3 meter hoog uit de volle grond!
Alle planten zijn ambachtelijk vermeerderd door deling van
de moederrhizoom. We hebben dus niet het probleem met de
zwakke weefselkweekplanten die nog wel eens in de handel
opduiken.
Gemberachtigen
Iedereen kent de wortelstok van de tropische
gemberplant als kruid in de keuken. Maar binnen de gemberfamilie
zijn er nog tal van soorten, afkomstig uit koele klimaatgebieden,
welke bij ons buiten toe te passen zijn en bovenal een hoge
sierwaarde hebben. Siergember is een prima alternatief voor de ziektegevoelige en nauwelijks vorstbestendige Canna's. Bovendien geuren veel gembers heerlijk i.t.t. Canna. We kweken ca. 40 soorten en varieteiten van 15 - 250 cm.
Roscoea (Tibetgember of orchideegember)
Roscoea’s
zijn de kleinste gembersoorten (15 – 80 cm). De bloem van deze overblijvende knolgewassen uit de gemberfamilie heeft
iets weg van irissen en orchideeën. De bloem bestaat
uit helmvormige bovenste kroobladeren, een onderlip met
brede slippen en twee smalle kroonbladen. De lancetvormige
bladeren groeien rechtop. Roscoea’s lenen zich voor
toepassing in groepen, in combinatie met andere gembers,
siergrassen, ophiopogon en bodembedekkers. Roscoea’s
zijn over het algemeen goed winterhard. Tijdens strenge
vorst in combinatie met een uitdrogende schrale wind is
een licht winterdek met bladeren aan te bevelen. Roscoea’s
kunnen jarenlang op een vaste plek blijven staan. Roscoea
prefereert een groeiplek in de halfschaduw tot zon op vruchtbare,
humusrijke grond welke ‘s zomers vochtig is en ‘s
winters voldoende doorlatend zodat de wortels niet te nat staan.
De naam Roscoea is afgeleid van de bankier William Roscoe
die in 1802 de botanische tuin van Liverpool oprichtte.
Let op dat Roscoea’s altijd pas laat boven de grond
komen in het voorjaar. Een merkstok of label is dan geen
luxe voor actieve tuiniers.
Roscoea auriculata
Deze Roscoea heeft zacht purperen tot paarse bloemen en
bloeit in de periode juni – juli. R. auriculata wordt
35 tot 45 cm hoog. Vormt een forse pol van uiteindelijk ruim 40 cm hoog. Winterhard. Komt uit de Himalaya (Tibet, Nepal) en groeit het liefst op een humusrijke bodem in de zon tot halfschaduw. De bloeiperiode valt in juli - augustus. Het blad is donkergroen van kleur. Roscoea auriculata White Cap is een selectie met een paars/witte bloem.

Roscoea var. Beesiana
De borm Beesiana is waarschijnlijk een hybride tussen twee
soorten. Het is een wat vollere plant welke eind juni –
begin juli gaat bloeien. Het fraaie van deze soort is dat
de bloemen vaak tweekleurig zijn: cremegeel met paarse strepen
op de bloemblaadjes. De hoogte van deze soort is 30-40 cm,
maar op hogere leeftijd groeit deze plant tot ruim 50 cm
op.

Roscoea brandisii Purple Giant
Deze forse soort heeft de meest donkerpaarse bloemen op stevige bladstelen. Het is een van de grootste soorten Tibetgembers. Deze plant groeit na enkele jaren uit tot 60 a 70 cm met dikke donkergroene stelen, mooie lange smalle bladeren en zeer fraaie donkerpaarse bloemen in augustus – september. Een standplaats in de zon tot halfschaduw wordt geprefereerd, evenals een humusrijke doorlatende grond.

Roscoea cautleoides
Deze soort bloeit in de zomer met helder gele bloemen, en
wordt circa 25 cm hoog. Het glanzend, lancetvormig blad
groeit rechtop en is aan de basis vergroeid tot een holle
schijnstengel. Oudere planten kunnen al vanaf eind mei in
bloei komen. De plant heeft dan een hoogte van 40 –
50 cm. Een tweede bloei uit nieuw scheuten is in september
– oktober mogelijk.

Roscoea cautleoides
Jeffrey Thomas
De selectie Jeffrey Thomas heeft bloemen met een lichte,
frisse citroenkleur. In vorm, groei en hoogte vergelijkbaar
met R. cautleoides.
Roscoea purpurea
Volgens veel bezoekers aan onze tuin is Roscoea purpurea een van de mooiste soortgroepen. Binnen purpurea zijn diverse selecties met ieder hun eigen kenmerken. Zoo heeft R. Dalai Lama en Peacock Eye een purperen tot wijnrode dikke stengel (bladsteel),
spitse groene bladeren en paarse bloemen met een lange kroonbuis.
Peacok Eye wordt duidelijk groter dan Dalai Lama. De vorm Brown Peacock is heel bijzonder vanwege de bruinrode bladeren die in de loop van de zomer naar donkergroen verkleuren, de onderzijde blijft rood. De bloeiperiode bij jonge planten
is medio augustus - september. Naarmate de planten ouder worden treedt
de bloei eerder in.
Roscoea purpurea Dalai Lama

Roscoea purpurea Brown Peacock

Roscoea purpurea Peacock

Roscoea purpurea Peacock Eye

Roscoea purpurea Vincent

Thalia dealbata (hardy canna, alligator flag)
Een bijzonder buitenbeentje binnen de gemberachtigen (Marantaceae) is Thalia dealbata. Thalia komt van nature voor in het zuidoosten van de Verenigde Staten. Deze vochtminnende plant kan onder gunstige omstandigheden, inclusief bloeiwijze 2 meter hoog worden. De brede lancetvormige bladeren met een oranjerode bladrand zijn ongeveer 40 cm op lange, dunne bladstelen. In de volle zon krijgen de planten een prachtige blauwwitte waas, de onderkant van de bladeren is witbepoederd. Het blad lijkt op de bekende paradijsvogelplant (Strelizia reginae). De blauwpaarse bloempjes staan op lange stelen en komen ver boven de bladeren uit. We hebben waargenomen dat een deel van de bloemen van Thalia vleesetend zijn en een deel bestoven wordt en vrucht vormt. Dit is waarschijnlijk een aanpassing aan de mineraalarme groeiomstandigheden in het natuurlijk verspreidingsgebied. Thalia heeft voor een optimale groei veel voedsel en water nodig. Thalia is in staat onder zuurstofloze omstandigheden te groeien waardoor deze plant zelfs als oeverplant toegepast kan worden. We kweken deze plant nu 15 jaar buiten en de winterhardheid is tot nog toe goed gebleken bij een winterdek met blad of stro. Het is een stevige, stylistische plant welke meer toepassing verdient.

Hedychium (himalaya gembers)
Net als bijvoorbeeld Hibiscus wordt het geslacht Hedychium
met de tropen geassocieerd vanwege het weelderige loof,
de opvallende bloemen en de zware, zoete geur. Toch groeien
veel van deze soorten op vrij grote hoogte in de bergen
van zuidelijk Azie. Een aanwijzing dat ze weinig problemen
hebben met wat koeler weer. Enkele recent geïntroduceerde
soorten zijn zelfs zo winterhard dat ze de meeste winters
bij ons goed door komen. Het zijn vaste planten met dikke rhizomen
welke pollen van 1 tot ruim 2 meter hoog vormen. Ze prefereren
humusrijke, vochtige, maar goed doorlatende grond op een
plaats in de volle zon, eventueel lichte schaduw. Als de
oude bloeistengels na de bloei weggehaald worden wordt de
plant geprikkeld tot een krachtige groei. De bloei ligt, afhankelijk van de soort, tussen juli en november.
Hedychium
aurantiacum
(synoniemen: H. coccineum var. aurantiacum
of H. kewense)
Een nog vrij onbekende soort met fraaie scharlakenrode bloeiwijzen.
Groeihoogte 1 – 1.50 meter. Opvallend is het relatief smalle blad met een rode bladvoetaanzet aan de steel.

Hedychium
coccineum (oranje-rood)
Deze uit de Himalayagember vormt een forse pol met breed
uitstaande stengels, voorzien van smalle bladeren. Zijn
spectaculaire, verticale bloemaren kunnen wel 25 cm lang
worden. De bloemkleur varieert van licht koraalrood tot
felrood terwijl de verlengde meeldraden altijd roze zijn.
Onze planten bloeien oranje-rood. Nog niet duidelijk is
welke variëteit het is.

Hedychium (coccineum x gardnerianum) Tara
Dit is een betrouwbaar winterharde kruising met o.m. eigenschappen van gardnerianum en coccineum.

Hedychium
coronarium (white butterlfy ginger)
In de Verenigde Staten wordt deze soort tot de groep van
Butterly Gingers gerekend, vanwege de vorm van de bloemen
welke doet denken aan kleine vlinders.
Volgens sommigen zou dit bij nader inzien niet H. coronarium
zijn, maar een andere vlindergember vanwege de vermeende
opvolging van bloemen na elkaar. De echte H. coronarium
(kroon) zou zijn bloemen tegelijkertijd openen. We moeten
dit nader bestuderen. Mogelijk is het de soort H. ellipticum,
maar er bestaan ook kruisingen tussen H. coronarium en H.
ellipticum…
We hebben ook een grote uitvoering onder de naam Hedychium coronarium Maximum (niet te verwarren met H. maximum). Deze vorm heeft duidelijk grotere bloemen, maar bloeit bij buitenteelt ook later (soms te laat voor de eerste vorst)

Hedychium Dixter (syn. Devon Cream)
Hedychium
densiflorum
Dit is een van de kleinste Hedychiums. Hedychium densiflorum
ontwikkeld snel een dichte pol van hoge, smal bebladerde
stengels welke in de nazomer worden bekroond door oranje
bloemen. Geurt ook heerlijk en geeft evenals de andere gembers
een bijzonder exotische tint aan de tuin.

Hechium densiflorum Assam Orange
De vorm Assam Orange is groter dan de botanische densiflorum. Bovendien is de bloeiwijze feller van kleur en is de bloei rijker. Over het algemeen bloeit deze soort ook later in het seizoen (augustus september). Betrouwbaar winterhard.
Hedychium densiflorum Stephen
Stephen is een nog grotere vorm van densiflorum met een uitbundige bloei. De samengestelde bloeikolven zijn warmgeel van kleur.
Hedychium Dr. Moy
Een bontbladige Hedychium uit de V.S. Mogelijkheden voor ons klimaat worden nog onderzocht.
Hedychium
‘Elizabeth’
Een hybride-gember met uitstekende eigenschappen. Ook weer
een type uit de butterfly-gemberreeks. Deze soort heeft
rozerode bloemen met licht golvende bloembladranden. Op
een gunstige groeiplaats kan Elizabeth opgroeien tot 1.80
meter. Heeft een warm najaar nodig en bloeit daarom bij ons meestal als laatste in het seizoen.
Hedychium forrestii
Een bijzonder interssante grote Hedychium voor permanente buitenteelt. Deze goed winterharde soort wordt makkelijk 2 meter hoog, bloeit midden zomer met verspreid staande witte bloemen, welke in het najaar gevolgd worden door prachtige rode vruchten. Opvallend is ook de weelderige groei, de grote bladeren en de rijke bloei. Zeer exotisch ! Nog slechts beperkt voorradig.
Hedychium
gardnerianum Compactum
Deze geelbloemige siergember is in zijn soort een
van de mooiste. Hedychium gardnerianum Compactum
heeft stevige, gedrongen stengels en relatief grote, iets
golvende bladeren. Deze compacte vorm groeit in een zomer
op tot 80 – 100 cm en gaat dan bloemknoppen aanleggen.
Meestal in augustus / september gaat deze Hedychium bloeien
met grote helder gele bloemen, elk met een rood-oranje verlengde
meeldraad. Nog altijd een zeer gewaardeerde bloei, zeker
ook vanwege de heerlijk zoete geur. Bruikbaar als kuipplant
en met de nodige zorg ook in de volle grond te kweken.

Hedychium greenii
Dit is misschien wel de mooiste Hedychium in blad- en bloemkleur.
Hedychium
spicatum
Deze gember bereikt een hoogte van 1,5 meter of hoger en
vormt lange trossen met dicht op elkaar staande zacht perzikkleurige
bloemen. We hebben plantemateriaal van drie verschillenden bronnen. Hedychium spicatum blijkt variabel te zijn gezien de diversiteit in groeivorm en hoogte van de verschillende klonen.

Hedychium villosum
Een relatief nieuwkomer voor Europa is deze Hedychium villosum. Deze fors uitgroeiende soort kenmerkt zich door opvallend dikke bladstelen waarbij de aanzet van de bladvoet een rode rand heeft. H. villosum groeit op tot een hoogte van 150 tot 200 cm waarbij de bloeiwijze aan het einde van ons groeiseizoen te verwachten is (september / oktober). Deze soort heeft nu drie winters in de volle grond gehad en komt ieder voorjaar (medio mei/ juni) weer goed terug. De bloemkleur is helder wit. Het type bloeiwijze doet vermoeden dat er verwantschap is met Hedychium coronarium.
Cautleya spicata Robusta
Cautleya spicata Robusta is een zeer fraaie siergember uit Japan en China is een van de hardste gemberachtigen met exotisch aandoend blad. Opvallend is ook de wijnrode bladsteel. Hoogte 70 – 100 cm, polvormend.
Zoals de meeste gembers komt deze soort in het voorjaar vrij laat aan de groei. De bloeiwijze in de nazomer is absoluut
mooi. De bloeikolf is scharlakenrood van kleur terwijl de
bloemen zelf oranje-geel gekleurd zijn. Dit levert een prachtig
kleurcontrast op. Een soort met een voorkeur voor de halfschaduw
op een humeuze, voedingsrijke grond. Langzaam vormt zich
dan een stevige pol. De bloeitijd is eind augustus –
september – oktober.

Caultleya lutea (syn. gracillis)
Zingiber mioga
Een zeer fraaie, exotische gember uit Japan welke alleen al voor het bladeffect zeer de moeite waard is. Wordt ca 50 – 70 cm hoog. Curieus is de bloeiwijze: deze verschijnen einde zomer vanuit de grond. De bloemknoppen worden in Japan geoogst als delicatesse. Zeer goed winterhard. Er bestaat ook een zeldzame bontbladige vorm: Dancing Crane. Deze bonte varieteit is alleen al voor het bladeffect zeer de moeite waard is. Wordt eveneens ca 50 – 70 cm hoog. Standplaats halfschaduw en een vochthoudende, humusrijke grond

Nog meer gembers….
In de proeftuin staan er nog een aantal te wachten op vermeerdering;
daar komen de komende jaren nog een aantal interessante soorten
uit voor de verkoop
Canna (Indische bloemriet)
Canna Annaei (syn. Omega)
 habitus 250px copyright www.PerkGroen.jpg)
Canna
brasiliensis
Dit is een van de kleinste Canna's met een kleine botanische bloem (geelrood), relatief kleiene spitse bladeren en een groeihoogte van circa 1 meter. Onze vorm heeft een reeks winters in de volle grond overleeft met een afdeklaag van stro en blad. De planten bloeien niet alleen maar zetten ook vrucht en ontwikkelen kiembare zaden.
Canna musifolia
De grootste canna.
Canna
Stuttgart
Een bontbladige Canna het langgerekte stelen en spits toelopende
bladeren. Het blad van deze soort is voorzien van grote witte
banen op een blauwgroene ondergrond. Canna Stuttgart is een
afgeleide vorm van C. Annaei (syn. Omega). De Stuttgart groeit op
tot zeker 2 meter en is in de zomer getooid met tal van fijne
roze-abrikooskleurige bloemen. Tijdens zonrijke zomers kan
het blad verbrandingsverschijnselen vertonen. Een groeiplaats
in lichte schaduw kan dat voorkomen, al worden bladeren met
brandvlekken snel bedekt met grotere, nieuwe bladeren. Deze
Canna maakt relatief lange wortelstokken en kan snel een forse
pol vormen. Verschillende liefhebbers in Nederland en Belgie
hebben deze soort al meerdere jaren in de volle grond met
een mulchlaag in de winter over het wortelstelsel. Ook bij ons blijkt dit een sterke soort te zijn. Zeer beperkt voorradig.

Canna
Robert Kemp
Een forse plant welke midden zomer bloeit bij een
hoogte van 1.5 topt 2 meter met heldergroene bladeren.
Deze plant groeit in Zuid Amerika in het wild tot op hoogten
van 2000 meter. Ook deze Canna heeft al een reeks winters buiten overwinterd onder een mulchlaag.